BURGERLIJK (CIVIEL) RECHT civiel recht

In een burgerlijk (of 'civiel') proces staan twee burgers of 'burgerlijke partijen' tegenover elkaar voor de rechter. Een van de partijen, de eiser, daagt de andere partij, de gedaagde, omdat hij meent dat die ander hem onrechtmatig behandeld heeft (of een afgesproken prestatie niet is nagekomen).

De eiser eist schadevergoeding voor het hem aangedane onrecht (of nakoming van de prestatie). In beginsel moet de eiser bewijzen dat er sprake is van een onrechtmatige gedraging, dat de gedaagde daar verantwoordelijk voor is én dat de schade die hij heeft geleden, ook het gevolg is van dat onrechtmatige gedrag. Als de gedaagde iets niet bestrijdt, neemt de rechter dat aan als feit. Aan het bewijs worden minder strenge eisen gesteld dan in het strafrecht; en ook neemt de rechter in het geval van seksueel kindermisbruik in het algemeen (iets) minder strenge bewijsregels in acht dan bij andere vormen van onrechtmatige daad.

De hoogte van een schadevergoeding is niet aan een maximum gebonden, maar de geleden schade moet wel worden aangetoond, en ook moet worden aangetoond dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de onrechtmatige gedraging en de geleden schade. Vergoeding van immateriële schade kan ook worden toegewezen.

VERJARING IN HET BURGERLIJK RECHT

In het algemeen verjaart een rechtsvordering in het burgerlijk recht na 20 jaar. Maar anders dan in het strafrecht, geldt de verjaring alleen als de gedaagde zich er op beroept. De gedaagde kan er dus voor kiezen zijn verantwoordelijkheid te nemen en het conflict door de rechter te laten beoordelen, ook als de gedraging langer dan 20 jaar geleden heeft plaatsgevonden.